Toespraak van Tweede Kamerlid Angelien Eijsink bij de jaarlijkse dodenherdenking van de Commando’s en Paracommando’s bij het Nationaal Indië-monumnet 1945-1962, op 15 juli 2009


 

Geachte aanwezigen, dames en heren

Dank dat ik hier vandaag, op deze voor u allen zo belangrijke en betekenisvolle, maar ongetwijfeld ook emotionele dag, als Volksvertegenwoordiger en woordvoerder Defensie van de PvdA mag spreken. Het is een eer door u, Commando’s en Paracommando’s, genodigd te zijn en samen met u, uw kameraden, uw vrienden, geliefden te herdenken, die niet teruggekeerd zijn uit de strijd.

Een herdenking als deze bijwonen vind ik indrukwekkend en doet mij nog meer beseffen welke verantwoordelijkheid ik draag voor uit te zenden militairen.

 

Sinds de Tweede Wereldoorlog hebben Kabinet en Tweede Kamer diverse malen besloten tot het uitvoeren van militaire missies naar verre landen. Zij hebben op die momenten de politieke beslissing genomen om militairen, jonge mannen vaak nog, naar oorlogsgebieden te sturen om daar, zoals in het geval van Nederlands-Indië, óf volk en vaderland te verdedigen, óf, zoals in Cambodja, Libanon, Irak of Afghanistan, vrede en veiligheid te herstellen en de bevolking te helpen bij de wederopbouw van het land.

 

Vanaf januari 2003 ben ik Volksvertegenwoordiger en ik kan u verzekeren dat zo’n beslissing, het uitzenden van onze militairen, een zware beslissing is, waar veel aan voorafgaand.

In de afgelopen jaren, heb ik driemaal moeten besluiten ja of nee te zeggen, ja of nee tegen de Nederlandse missie in Irak en ja of nee tegen de Nederlandse missie in Afghanistan.

 

Op dergelijke momenten moet je je eigen verstand, hart en geweten volgen en beslissen of je medeverantwoordelijk wilt zijn voor wat er in een ver land zal gebeuren met Nederlandse militairen, wat zij daar ervaren en, daar moet je ook altijd bij stilstaan, waar zij mogelijk de hoogste prijs zullen betalen voor het belangrijke werk dat zij daar doen: het geven van hun leven voor democratie, rechtvaardigheid, solidariteit en veiligheid van anderen, die het minder getroffen hebben dan wij. Maar het gaat ook over militairen die gewond terugkeren, met de littekens voor hun leven. Daarbij mogen de relaties: partner, kinderen, familie en vrienden, zeker niet worden vergeten.

Mijn medeleven gaat dan ook oprecht uit naar u en iedereen die betrokken is geweest en op enig moment in de strijd een dierbare heeft verloren.

 

Het is juist ook vanuit die verantwoordelijkheid dat wij, de politiek, zorg moet dragen voor goede opvang en nazorg aan militairen en hun thuisfront, dus een goed veteranenbeleid.

 

Tientallen jaren lang – in uw tijd - is daar geen oog voor geweest vanuit Den Haag. Sterker zelfs: u kwam terug en moest gewoon weer aan de slag in de burgermaatschappij en niet zeuren. Je had het toch overleefd? En dat je heel wat vreselijke dingen had meegemaakt, ja, dat was privé, daar konden anderen niets mee. De wederopbouw van Nederland dat telde en dus had men andere prioriteiten. De politiek is hier heel lang tekort geschoten.

 

Tegenwoordig is het meer vanzelfsprekend dat militairen zo goed mogelijk worden voorbereid op hun missie. Dat ze de juiste spullen hebben en dat de opvang na terugkeer in Nederland goed is geregeld. In uw tijd, was er minder benul van wat de militair als mens nodig had. U bent uitgezonden zonder voorlichting over wat u te wachten stond. U wist niet wat u mocht verwachten en het ontbrak aan een goede vooropleiding voor de tropen. Kennis van het land, wanneer we het hebben over informatie over de bevolking, taal, leefomstandigheden was er niet.

U was voor lange tijd van huis zonder direct contact.

 

Gelukkig is er een ommekeer gekomen, en komt er de laatste jaren wel steeds meer veteranenbeleid van de grond. Erkenning en respect voor wat u, veteranen hebben gedaan en de begeleiding van militairen die net van een missie terugkomen is een stuk verbeterd.

Maar na de inhaalslag die we hebben gemaakt en waar we voor een deel nog mee bezig zijn, is het ook goed om verantwoordelijkheid van Kabinet en Kamer, als het gaat om die “ zorgplicht voor veteranen “, vast te leggen in wetgeving. Het uitzenden van militairen schept verplichtingen. Voor november zal de Staatssecretaris daarom met een wetsvoorstel hierover naar de Tweede Kamer komen.

 

Voor wat de Veteranendag betreft, ben ik er alle vijf keren, in Den Haag bij geweest en ik zie dat de belangstelling van de mensen voor deze dag groeit en dat is goed én terecht! Terecht ook dat deze dag nu een nationaal evenement is.

 

“Praten met een veteraan“ was het thema van de Nederlandse Veteranendag 2007. Het is van groot belang dat de Nederlandse samenleving – en niet in de laatste plaats de Nederlandse jeugd – kennis heeft over en begrip heeft voor het belangrijke werk dat militairen namens ons allen verrichten of – zoals u – hebben verricht.

 

Het historisch besef onder jongeren is niet altijd even best.

Maar ik heb begrepen dat sommige van u op scholen zijn geweest om over uw ervaringen te vertellen. Zo kunnen wij als samenleving van u leren.

 

Uw verhalen, ervaringen moeten verteld worden. De één gaat dat gemakkelijker af dan de ander. Want het zijn persoonlijke verhalen.

De Nederlandse bevolking krijgt een steeds beter en daardoor positiever beeld van de militairen die nu in verre landen hun werk doen en van de veteranen voor wie een missie al wat verder in het verleden ligt.

Hierdoor onder andere groeit de waardering en het respect en dat is ook van grote invloed op de toekomstige maatschappelijke waardering voor militairen en veteranen.

 

Inmiddels ben ik diverse keren in Afghanistan geweest voor – zoals wij dat noemen - een troepen bezoek. Ik sprak met militairen die betrokken zijn geweest bij hevige strijd en gevechten. En iedere keer valt het me op hoezeer de ervaringen ter plaatse verschillen van de beelden die in Nederland bestaan over de inzet van onze militairen en over de omstandigheden waarin zij hun werk doen. Het is moeilijk om je in Nederland voor te stellen wat onze militairen ver weg van huis meemaken.

Zo ik vaker heb gehoord: “Als het niet op televisie is, is het niet echt, dan bestaat het niet voor de mensen in Nederland”.

Ook nu is er onbegrip voor wat militairen moeten doorstaan en verwerken. Juist dat moeten we doorbreken, want wat niet wordt verwerkt, komt onherroepelijk terug, dat weten we nu. De emoties moeten een plek krijgen.

 

Dames en heren, dankbaar ben ik al die militairen en veteranen die onze democratische normen en waarden met lijf en leven hebben verdedigd. Vandaag gedenken we hen en tonen we hen het respect dat zij verdienen.

 

Dank voor uw aandacht.

 

   

Volg ons

Stichting Nationaal Indië-monument 1945-1962

Postbus 1302

6040 KH  ROERMOND

Mobiel: 06 55 32 83 06

e-mail: secretariaat

© NIM