Declamatie geschreven en voorgedragen door de heer Pierre Huyskens ter gelegenheid van de  Nationale Dodenherdenking bij het Nationaal IndiŽ-monument 1945-1962 op zaterdag 7 september 1991

 

DUIZEND DAGEN MONUMENT;

DUIZEND VERHALEN

 

Aan u, levenden,
Aan u, meelevenden,
Aan u, nabestaanden vooral
die vandaag
hier verenigd zijn
en die dezelfde namen dragen
als die hier op staal en op plaquettes
en zelfs elektronisch
vereeuwigd zijn
u allen wil ik graag doen weten
dat uw monument in drie jaar tijd
zijn eerste duizend dagen,
een troostend antwoord is geworden
op zoveel duizend vragen.

De vraag bijvoorbeeld van de weduwe, die destijds
na de huwelijksnacht,
haar bruidegom, dienstplichtig,
naar het troepentransportschip bracht.
Zij zag hem nooit meer terug.
Want na een maand of zes al kwam die brief,
vol leedwezen en het kort bericht
dat hij, in een hinderlaag gelopen,
werd vermist.

Daar kon zij het mee doen.
En meer dan veertig jaar heeft zij,
met af en toe die dwaze hoop
dat hij toch nog eens komen zou,
naar zijn onbekende, wellicht wrede dood
gegist.

Het smartelijkst bleef de vraag,
waarop geen mens, ook de minister niet,
haar antwoord gaf.
Wat was dat voor een hinderlaag?
Waarom mijn jongen heb jij geen graf,
ja, uitgerekend jij,
en geen plaatsje op het ereveld
waar je bij wijze van laatste genade
toch verdiend had te mogen rusten
bij je gesneuvelde kameraden.

En rekent God dat uit
wie wel een graf krijgt en een kruis
en wie van hen die vielen
spoorloos moeten blijven
in zijn eeuwigheid, als dolende zielen.

Toen kwam de weduwe naar dit park,
dit monument, dat geen vergankelijkheid,
geen stoffelijke resten en geen graven kent,
maar namen slechts - namen, waarin
als in een onvergankelijk schrijn,
de zielen van allen die overzee vielen
voor eeuwig vastgeletterd
en door Gods hand beschermd,
nu op hun ware rustplaats zijn.

Zij las zijn naam en merkte
hoe hij uit zijn eigen letters trad
nog altijd bruidegom, jong en vitaal,
alsof hij niets geleden had;
alsof hij zeggen wou:
"Ik dank je, schat,
voor al je volgehouden trouw.
Maar kwel jezelf niet meer met wat mij overkwam,
toen, in die hinderlaag;
ik heb dan wel geen graf, geen kruis,
maar toch een sarcofaag,
hier in dit park: mijn naam
waarin ik voortleef en geborgen ben,
waarin ik de streling van je ogen voel
en zo je niet aflatende liefde herken."

Ze hoorde het hem zeggen,
toen ze haar hand gelegd had op zijn naam.
En in het fluÔdum dat haar doortrok,
voelde zij zich weer de bruid die zacht,
geliefkoosd,
als in die lang geleden nacht,
vlak voordat hij vertrok,
hier weer vertederd werd
en eindelijk getroost.

Dat is het wonder van dit park
Dat hier de levenden met hun herinnering
de doden doen herrijzen uit hun naam.
Zij voelen die zachte zindering
van nooit gesleten genegenheid;
en uw ogen die strelend gaan
over zuilen en stenen tafels
en langs het elektronisch raam,
doen hen waarachtig leven in hun eeuwigheid.

Hier komt de weduwe luisteren
naar het troostrijk fluisteren
van haar nooit echt vermiste bruidegom.
Maar ook de moeder
komt hier praten met haar zoon
en zusters spreken hier met broers,
gesprekken - heel gewoon
waarin verteld wordt over thuis
en ook gevraagd wordt hoe het ginder gaat,
voorbij de wolken,
in Gods eigen Militair Tehuis.

Dat is het wonder van dit park
(en deze zuilen hebben het gemerkt);
dit Monument heeft als een Ark
van het Verbond van Levenden en Doden
veel hartverscheurend verdriet verwerkt.
Zoals dat van de aalmoezenier,
die de naam intoetste ,hier,
op 't elektronisch scherm,
van zijn gesneuvelde soldaat-chauffeur,
en die ineens weer zag hoe deze achter 't stuur,
getroffen werd door snipers' vuur
en stervend nog de kreet kon slaken:
"Nou smeer 'm aal, ik ga alvast naar boven
om kwartier te maken."

Of het verdriet van die anonymus,
die hier een ruiker bloemen legde,
met op een giro-envelop de tekst
die met een bloedend hart geschreven is:
"Minta ampoon. Ik vraag vergiffenis."

Aan wie? Waarvoor?
Droeg hij die hier met bloemen biechtte
een schuld waardoor hij toen een vriend verloor?
Of stond hij misschien gewapenderhand
in een hinderlaag Aan de andere kant?
Wat zijn geheim ook moge zijn,
hij kwam naar hier dit park,
en zocht soelaas voor wroeging
en voor pijn.

Vergiffenis vroeg ook,
in deze duizend dagen,
Zijne Excellentie
de Minister van Defensie,
die hier het Mea Culpa sprak.
Een schuldbewust evenement,
het lang verwacht respons
op het massaal petionnement
van al die namen, gegraveerd in dit Monument.

Het is compleet nu en voltooid,
geŽindigd is de Dies Irae,
sinds is erkend van hogerhand
dat zij die sneuvelden overzee
toch ook gevallen zijn
voor het vaderland.

Luceat Eis, Lux Aeternae.

 

   

Volg ons

Stichting Nationaal IndiŽ-monument 1945-1962

Postbus 1302

6040 KH  ROERMOND

Mobiel: 06 55 32 83 06

e-mail: secretariaat

© NIM