Declamatie geschreven en voorgedragen door de heer Pierre Huyskens ter gelegenheid van de Dodenherdenking bij het Nationaal IndiŽ-monument 1945-1962 op donderdag 7 september 1995


 

MIJNHEER DE MINISTER-PRESIDENT

 

Het zal U niet verbazen,

Mijnheer de Mlnisterpresident,

dat hier vandaag duizenden

zich scharen rond dit monument,

duizenden, met de eretekens

van de veteraan getooid,

bijeen in een koempoelan,

groter en geladener dan ooit.

 

Vandaag juist, nu de viering

van een halve eeuw Indonesia Merdeka

nog na echoot, vooral in dit park,

met ook de stem van onze Majesteit

die op staatsbezoek

haar treurnis beleed

over de veel te zware offers

en het nooit geheelde leed

van die onafhankelijkheidsstrijd.

 

Dramatisch fenomeen:

enerzijds werd voor Koningin

en Vaderland, om Orde en Vrede,

anderzijds om Merdeka, om vrijheid

gestreden

en het waren niet de strijders te velde

maar de Haagse politici

die de nederlaag leden.

Alleen: de hoogste offers werden

te velde gebracht

en het heeft lang, heel lang geduurd

eer de strijders van toen

enigszins werden hoog geacht.

 

Terug in het moederland

verdwenen zij in een mist

van nationale gÍne,

van schaamte over de betoonde

koloniale hardnekkigheid,

over de afgedwongen souvereiniteit,

over de vergeefse politionele strijd.

En U weet het,

mijnheer de minister-president,

er was toen geen Haagse Autoriteit

die de strijders beloonde

met ook maar een zweem van erkentelijkheid.

 

Zij zochten het zelf maar uit,

toen zij, ontscheept, weer stonden

op de wal van het klein gekregen Koninkrijk.

Voor hen geen psycholoog, geen therapeut,

laat staan een helden-welkom Ė hooguit

een simpel welkom thuis,

dat spandoek in de straat,

de mensen in de wijk, met vriendelijk applaus

en met de naaste buren soms dat kleine feest

voor de jongen, terug van weg geweest.

 

En al die mannen van het KNIL?

Zij werden afgedankt.

Want er was toch zeker nog verschil

tussen blank en bruin,

in het bekrompen moederland dier dagen.

En hoe dķrfden ze te vragen

om deel te mogen zijn

van zoiets koninklijks als de KL?

Zij moesten maar eens snel

leren ophouden met vechten,

ja, ůůk voor hun in IndiŽ toch opgebouwde rechten.

De boodschap luidde: einde oefening,

doen jullie dat uniform

maar in de plunjezakken

en ginder, op de hei, daar staat

als welkom in kil Nederland

een hele trits barakken.

 

Ach ja, dat moederland.

Het wist destijds niet eens precies

hoevelen, in die na-oorlogse oorlogsjaren,

met al die vermisten,

in de bush-bush gesneuveld waren.

En die gesneuveld zijn,

laat die toch blijven op hun erevelden,

in dat verre, verloren land.

Want dat leek ook een zaak,

die al te kostbaar telde:

het overbrengen van de gestorven helden

naar een eigen ereveld in het moederland.

Waar konden zij, die het hoogste offer

hadden gebracht,

fraaier en vrediger rusten

dan in de Gordel van Smaragd?

Maar was dat niet ůůk economisch gedacht?

 

Maar daarom, mijnheer de minister-president,

staat hier in Roermond dit Monument,

dat duizenden van namen draagt,

zoals die mogelijk zijn van A tot Z,

tussen Aalderen en van Zwieten,

en tussen Jansen, Cohen en Mohammed.

En door heel die gigantische guirlande

van namen in oer-Nederlands,

slingeren zich de Indische namen

als een exotische bloemenkrans.

Zo zijn krijgsmacht en KNIL

tůch in elkaar verweven,

zo is aan ieders moed en dappere dood,

de enig-juiste naam gegeven.

 

Het is het wonder van dit park

dat hier de levenden met hun herinnering

de doden doen herrijzen uit hun naam.

Zij voelen de zachte zindering

van nooit gesleten genegenheid.

Als onze ogen strelend gaan

over die zuilen en stenen tafels

en langs het elektronisch raam,

dan is het allen hier te moede

alsof zij levend naast ons staan,

zoals zij waren, toen zij gingen

als OVW-ers of gewoon, omdat het moest.

Hier wordt hun legernummer

weer de naam, zoals die ook gegrift is

in Gods hand

en zoals hun vaders die spelden

voor de Burgerlijke Stand,

nog niet bevroedend dat die naam

in de cijfers van zijn legernummer op zou gaan,

ten dienste van het vaderland.

 

We maken het U graag bekend,

mijnheer de minister-president:

het wonder van dit park.

Het heeft, als ware het een Ark

van het Verbond van Levenden en Doden,

veel achterstallig verdriet verwerkt

en het heeft tienduizenden,

niet in staat naar het verre ereveld te gaan,

toch in hun rouw gesterkt.

Hier komt de weduwe luisteren

naar wat zij ervaart

als 't troostrijk fluisteren

van haar man, die daar ginds gebleven is.

Maar ook de moeder komt hier praten

met haar zoon, een serene belevenis,

en zussen spreken hier met broers,

gesprekken heel gewoon,

waarin verteld wordt over hier en nu en thuis

en ook gevraagd wordt hoe het hier boven gaat,

in Gods Eigen Militair Tehuis.

 

U weet, mijnheer de minister-president,

dat hier tussen de namen van dit monument

het Mea Culpa klonk van Uw collega

de minister van Defensie:

het lang verwacht respons

op het massaal petitionnement

van zoveel veteranen,

die eindelijk, met terugwerkende clementie,

als niet de slechtse vaderlanders

zijn erkend.

 

Ook dat behoort tot de wonderen van dit park,

al is het geen politiek domein,

veeleer een grootscheeps teken

van verzoening en vrede

en met al de symbolen van ít land

om het welk, wederzijds,

zoveel pijn is geleden.

De tropenzon is hier verbeeld.

U ziet de koppen van karbouwen

als het krachtig zinnebeeld

van gindse archipel,

waarvan we ondanks alles, wonderwel,

zoveel zijn blijven houwen.

De sawah's, hier in steen geÔmiteerd,

de Kroonduif ook,

 die het mooie sluitstuk van die Gordel van Smaragd

symboliseert,

het water dat hier constant ruist,

als eerbetoon aan al die namen:

zo verzoenend, mijnheer de minister-president,

zo, zonder pathos, of ressentiment

wil dit niet Roermondse, maar nationaal monument

een helende bron zijn

voor nog schrijnende wonden,

en een waardige sarcofaag

voor al de duizenden, die vandaag

zo intens met ons zijn verbonden.

 

En zoals al eens gezegd:

leg gerust uw hand

op al de letters,

die zij in hun onverwachte lot

hebben meegenomen naar Jaweh,

naar Allah of naar God.

En u zult voelen met uw ogen dicht

hoe diep die naam is gegraveerd,

zodat de tand des tijds

hem in der eeuwigheid niet deert.

   

Volg ons

Stichting Nationaal IndiŽ-monument 1945-1962

Postbus 1302

6040 KH  ROERMOND

Mobiel: 06 55 32 83 06

e-mail: secretariaat

© NIM