Banner
Banner

Openingsgebed door Aalmoezenier Liduina van den Broek, ter gelegenheid van de herdenking bij het Nationaal IndiŽ-monument 1945-1962 in Roermond op 5 september 2015


Dames en heren,

 

Als rooms-katholiek geestelijk verzorger voor alle veteranen buiten dienst in Zuid-Nederland, mag ik vandaag deze plechtige nationale herdenking openen met een overdenking en een gebed. Dat doe ik met eerbied en vreugde, omdat dit mij in staat stelt zowel mijn ervaringen met de vele IndiŽ- en Nieuw-Guineaveteranen die ik in mijn pastoraal werk ontmoet met jullie te delen, als vanuit de diepte van mijn hart mijn gevoelens van respect, deernis en genegenheid voor al die veteranen en hun families bij God neer te leggen.

Tijdens de voorbereiding van deze overdenking las ik opnieuw een onlangs verschenen artikel van prof. dr. Fred van Iersel, die als bijzonder hoogleraar vraagstukken geestelijke verzorging in de krijgsmacht verbonden is aan Tilburg University. Zijn artikel handelde over het thema van de rechtvaardige oorlog. ďDeze woordcombinatie alleen alĒ, zo schrijft Van Iersel, ďwekt in onze samenleving verontwaardiging en afschuw: hoe kan een oorlog nu ooit rechtvaardig zijn? En inderdaad,Ē zo zegt hij, ďde vraag naar de noodzakelijkheid en juistheid van een oorlog moet steeds gesteld worden. Maar, zo voegt hij eraan toe, ďje hoeft niet altijd een oorlog te beginnen, om er toch bij betrokken te raken.Ē

Vooral bij deze laatste zin bleef ik haken: gold dit niet bij uitstek voor de militairen die hebben gevochten in voormalig Nederlands-IndiŽ en Nieuw-Guinea, maar ook voor de vele uitgezonden militairen die na hen kwamen, dat zij bij een oorlog betrokken zijn geraakt, zonder die zelf te zijn begonnen? Werpt dit gegeven geen nieuw licht op de vragen waarmee velen nu worstelen, door alles wat zij tijdens hun uitzending hebben meegemaakt, gedaan en ondergaan? Want of een veteraan zijn uitzendingsverleden nu wegstopt, er grapjes over maakt of er min of meer neutraal op terugkijkt, hij of zij is een grens overgegaan en heeft een gebied betreden, dat voor ons, gewone burgers, onbekend terrein is, namelijk dat van de opgedragen geweldsuitoefening. Dit geweld is uiteraard aan allerlei mandaten en afspraken gebonden. Een militair dient zijn land allerminst door zich ongeremd uit te leven, integendeel. Zijn taak is het immers om de waarden die onze samenleving hooghoudt desnoods met geweld te verdedigen. En dit kan niet door die waarden zelf met voeten te treden. Waar dit gebeurt, wordt de militair dan ook gestraft. Maar in mijn pastorale zorg voor veteranen kom ik er zovelen tegen die nu nog in gewetensnood verkeren om wat zij hebben meegemaakt, dat ik er niet omheen kan mij de vraag te stellen of hun taak sůms niet bovenmenselijk belastend is. Als samenleving moeten wij er van doordrongen zijn, dat militairen vaak terechtkomen in een situatie waarin het normale zicht op goed en kwaad wordt verduisterd door alle geweld en leed dat zij er aantreffen en waaraan zij deelhebben. ďHet was hij of ikĒ, hoor ik veteranen vaak zeggen. Daar kunnen ze als militair nog wel mee leven. Maar moeilijker wordt het, als er doden vallen die je niet ziet, zoals door een mortieraanval. Of als het gaat om vrouwen en kinderen. Vooral dit laatste draagt de veteraan de rest van zijn leven met zich mee. Eenmaal thuisgekomen, kan hij nooit meer Ďneutraalí naar zijn eigen kinderen kijken. Hun leven, waar hij dankbaar voor is, doet hem de vraag stellen naar die andere kinderen, die hij heeft zien of doen sterven. En wij blijven het antwoord schuldig, naar wat dit leed, dit geweld, dat zijn leven doordrenkt, betekent.
Laten wij vandaag, in deze herdenking, in ieder geval met veel respect en dankbaarheid onze veteranen eren. Laten wij, die immers ook elke dag met de vragen rond goed en kwaad te maken hebben en hierbij niet altijd de goede keuzes maken, solidair zijn met onze uitgezonden militairen, vanaf Nederlands-IndiŽ tot nu. Zij horen bij ons, als leden van onze gemeenschap. Dit geldt ook en vooral degenen, die niet meer terugkwamen en die wij vandaag gedenken.
En ik wil bidden:

God onze Vader,
Toen U de aarde en de mensen schiep, zag U ďdat het goed was, heel goed zelfsĒ
Inmiddels weten wij, hoe moeilijk het is om het goede waarnaar wij verlangen
in ons leven waar te maken.
Soms zien we de juiste weg niet,
soms kiezen wij niet de juiste middelen,
soms willen we gewoon niet,
omdat we boos zijn op U, op onszelf en op elkaar.

Zend ons uw heilige Geest
die nooit ophoudt ons aan te sporen tot het goede.
Die ons opricht, als wij gevallen zijn
en die ons telkens opnieuw schenkt aan elkaar.
Dat wij nooit ophouden naar het goede te verlangen
en elkaar te beminnen.
Dat wij elkaar zien met ogen van de hoop, die alles nieuw maakt. Amen.


 

   

Volg ons

Stichting Nationaal IndiŽ-monument 1945-1962

Postbus 1302

6040 KH  ROERMOND

Mobiel: 06 55 32 83 06

e-mail: secretariaat

Bezoekadres:

Maastrichterweg 19

6041 NZ  ROERMOND

GPS: N 51.10.979 E 5.59.314

 

© NIM