Banner
Banner

Toespraak van de Staatssecretaris van Defensie, de heer H.A.L. van Hoof, ter gelegenheid van de herdenking bij het Nationaal IndiŽ-monument 1945-1962 op 7 september 2000


 

Dames en Heren,

Net als twee jaar geleden, beschouw ik het als een eer hier, vandaag, andermaal bij het Nationaal IndiŽ-monument 1945-1962, namens de Regering een krans te mogen leggen ter nagedachtenis van de militairen die zijn gevallen in de toenmalige overzeese rijksdelen Nederlands Oost-IndiŽ en Nieuw Guinea. Opnieuw ben ik onder de indruk van uw massale aanwezigheid. Veteranen - niet alleen uit alle delen van Nederland hiernaar toe gereisd, maar zelfs ook overgekomen vanuit het buitenland - broers, zusters, verwanten en vrienden: uw aanwezigheid hier getuigt ervan dat deze herdenking van zeer bijzondere waarde is elk jaar opnieuw.

 

Het is een onmiskenbaar teken dat de gevallenen niet zijn vergeten. Zij leven in onze herinnering voort. Dit Nationaal monument gedenkt de ruim 6000, meestal jonge, militairen die van 1945 tot 1962, bij de uitvoering van hun taak het hoogste offer brachten: hun leven. Zij streden namens ons, namens de Nederlandse bevolking. Zij hadden een opdracht van onze Regering. Hier in Roermond moesten de eerste militairen zich verzamelen om naar IndiŽ te worden uitgezonden. Daarom is deze plek mede zo bijzonder. Het initiatief van burgers en militairen uit deze gemeente om juist in deze stad een monument op te richten, verdient nog steeds grote waardering.

 

Hier is het begonnen. Uw jaarlijkse gang naar de herdenking te Roermond onderstreept de juistheid van deze keuze. De inmiddels ontstane traditie van deze herdenking weerspiegelt tevens de belangrijke maatschappelijke veranderingen van de afgelopen jaren wat betreft onze houding jegens onze veteranen. Want -en dat zeg ik met klem- veel is veranderd. Dames en Heren, In de zuilengalerij staan de namen gegrift van de militairen die wij vandaag herdenken. Achter die meer dan zesduizend namen leven even zoveel herinneringen, achter die namen gaan even zo vele persoonlijke tragedies schuil. Ieder van de gevallenen liet dierbaren in diepe rouw achter. Allen brachten zij offers; de militairen ver van huis en haard, maar ook hun familie, hun dierbaren, hun achterban. Zij wachtten hier in Nederland vol onzekerheid en vrees op nieuws van overzee. Voor velen was dat het nieuws dat zij het meest vreesden, het nieuws dat zij nooit hardop uit durfden spreken. Hun zoon, man, broer of vriend zou niet meer terugkeren. Bij hen wil ik vandaag evenzeer stil staan. Hun leven zou nooit meer hetzelfde worden. Dames en heren, De Tweede Wereldoorlog sloeg een dramatische bres in onze vaderlandse geschiedenis, zeker ook in de band met de rijksdelen overzee. Na de bezetting van Japan was de oorlog niet voorbij. Sterker nog voor talloze jonge militairen moest de oorlog -hķn oorlog- nog beginnen. Vandaag de dag kijken we met gemengde gevoelens naar deze periode in onze geschiedenis. Gevoelens van onbegrip, gevoelens soms van spijt, soms van schaamte, maar ook zeker gevoelens van trots, begrip en erkenning. Gevoelens gekleurd ook door herinnering en kennis, kennis die we toen nog niet of nog niet voldoende hadden. Want een halve eeuw geleden was hier in Nederland nauwelijks kennis van de overzeese gebieden, was er nauwelijks iets bekend van de strijd die u en uw collega-militairen hebben gevoerd. Laat staan dat er iets bekend was van de moeilijke omstandigheden waaronder Nederlandse militairen, moest opereren. De ontvangst die velen bij hun terugkeer dan ook kregen was op zijn zachtst gezegd kil en vol van onbegrip. Deze ontwikkeling, leidde er toe dat de tienduizenden terugkerende militairen niet alleen weinig aandacht, maar ook weinig waardering kregen. En daarbij speelt nog een tweede fenomeen. In de publiciteit -zowel door journalisten als door historici- werden de militaire operaties niet zozeer als een terechte strijd beschouwd, maar vooral als een laatste en weinig verheffend hoofdstuk uit het Nederlandse dekolonisatie proces. Voeg daarbij de maatschappelijke ontwikkelingen in de jaren vijftig en zestig -met als kernwoorden wederopbouw, ontzuiling, en een andere kijk op autoriteiten- en het mogen duidelijk zijn dat de veteraan in het verdomhoekje verdween. In plaats van erkenning was miskenning zijn deel. Dat ligt in de beleving van de individuele militair natuurlijk allemaal anders. De hier aanwezige veteranen weten dat als geen ander. Zij gingen, merendeels als vaderlandslievende militairen overzee om hun taken uit te voeren. Simpelweg omdat het moest. Op hoog bevel. Op hoog gezag. Zij legden verantwoording af aan dat gezag, aan henzelf en aan hun geweten. Zij hadden geen gemengde gevoelens. Maar, hoe anders is het verantwoording af te moeten leggen aan de media, aan historici, aan andere generaties. Aan anderen die ieder met een andere bril, met een andere blik en vanuit een andere positie, vanuit een andere tijd over het conflict en de inzet van onze militairen oordelen. Zo'n oordeel is per definitie te afstandelijk. Ik sluit me dan ook graag aan bij de woorden die onze minister-president Kok onlangs, in aanwezigheid van Prins Bernhard uitsprak, bij de opening van het Veteranen instituut in Doorn. Hij onderstreepte dat veteranen niet altijd de erkenning en waardering krijgen die zij verdienen. Volgens hem zou dat weleens gelegen kunnen zijn in het feit dat politieke en maatschappelijke discussies achteraf over missies en operaties die eerder hebben plaatsgevonden - met alle publiciteit daarover -, in de gevoelsbeleving veelal ůůk terugslaan op mensen die daaraan juist met volle inzet en met de beste bedoelingen hebben deelgenomen. Dat is bitter. Dat er ook nu nog discussie is over de militaire operaties in de toenmalige rijksdelen mag niet af doen aan het respect, en waardering voor de persoonlijke inzet van de vele dienstplichtigen en beroepsmilitairen aldaar. Het doet evenmin iets af aan het feit dat zij in opdracht van de Nederlandse regering en met goedkeuring van een democratisch gekozen volksvertegenwoordiging zijn gegaan om onder vaak zeer moeilijke omstandigheden hun plicht te doen. Daar mag geen enkel misverstand over bestaan. Dames en heren, Dat er in Nederland vaak weinig begrip en waardering was voor de geleden ontberingen, voor uw ontberingen mag dan misschien begrijpelijk zijn, maar was zeker niet terecht. Gelukkig is er, ik zei het zojuist al, de laatste jaren sprake van een zekere kentering. Die verandering is voor een belangrijk deel aan de inspanning van de veteranen zelf en hun achterban te danken dat de aandacht voor de militair van toen in het jaar 2000 volop aanwezig is. Er is inmiddels wel aandacht voor verhalen, voor persoonlijke geschiedenissen en ervaringen. Ook worden er veel inspanningen gepleegd om veteranen goede zorg te bieden. Een brede maatschappelijk erkenning en waardering zijn nu, in tegenstelling tot vroeger, een feit. De meeste Nederlanders beseffen dat de aandacht -en indien nodig- de zorg voor de militair niet mag wegvallen op het moment dat hij of zij terugkeert na een uitzending. Het veteranenbeleid, want daar hebben we het dan over, is overigens een beleid dat voortdurend gestalte krijgt. De lessen uit het verleden, de toegenomen aandacht en de zorg, zijn onderdeel van het streven naar verdere optimalisering. Het been is inmiddels flink bijgetrokken, maar dat wil niet zeggen dat we achterover kunnen gaan leunen. De totstandkoming van het Veteranen instituut is een voorbeeld van het feit dat we op de goede weg zijn. In dat veteranenbeleid wordt niet alleen het belang van de veteranen uit de periode van uw generatie zo goed mogelijk behartigd, maar ook het belang van de zogenaamde "jonge veteraan." Militairen die zijn ingezet in landen als Libanon, Cambodja, HaÔti, BosniŽ en, meest recent, in Kosovo. Sinds 1979 gaat het al om ongeveer 40.000 ex-militairen. Dit aantal groeit nog steeds, als gevolg van het Nederlandse beleid actief bij te dragen aan de bevordering van de internationale rechtsorde en stabiliteit. Ster-ker nog het inzetten van militairen voor vredesoperaties is hoofdmoot van het defensiebeleid, is een kerntaak van de hedendaagse krijgsmacht en is onlosmakelijk verbonden bij het zijn van militair anno 2000. Daar moeten zij op zijn ingesteld; daar moet Defensie op zijn ingesteld en ook de samenleving dient zich hiervan bewust te zijn. Door al die verschillende operaties waarin Nederlandse militairen zijn ingezet en door het feit dat die inzet over tientallen jaren is verspreid, is het logisch dat het begrip "veteraan" steeds breder is geworden. Elke groep veteranen heeft een eigen karakter en gevoel, gestoeld op de eigen ervaringen. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat er zoveel verschillende veteranen organisaties en reŁnisten-verenigingen bestaan. Men voelt zich het meest verbonden met de eigen groep. De eigen groep met de eigen collegaīs, waarmee het best ervaringen van wat men heeft meegemaakt, kunnen worden gedeeld. Maar, ondanks bestaande verschillen zijn er natuurlijk ook overeenkomsten tussen de diverse groepen veteranen. Iedere veteraan was namelijk een militair, die het Koninkrijk heeft gediend onder moeilijke omstandigheden. Allemaal hebben zij gemeenschappelijke belangen, in maatschappelijk en politiek opzicht. Het is goed, juist ook vandaag, eens te wijzen op die overeenkomsten in verscheidenheid en het wezenlijk belang van gezamenlijkheid. Naast terugkijken, herinneren en eren moeten we, zeker nu er sinds de jaren tachtig een flinke inhaalslag is gemaakt, vooruit kijken. Ik ben dan ook van mening dat we -over de vanzelfsprekende verschillen van alle betrokken organisaties en instanties heen- ons blijvend moeten richten op datgene wat de veteranen gemeen hebben. Hoe verschillend ook, veteranen hebben immers ingrijpende, soms zelfs traumatische ervaringen opgedaan. Zij hebben allen behoefte aan erkenning, respect en zorg. Dat is een politieke en maatschappelijke verantwoordelijkheid. Want hoe je het ook wendt of keert, en hoe je achteraf met alle kennis van vandaag ook naar de militaire inzet kijkt, de veteraan heeft zich naar beste kunnen ingezet. Alleen al daarvoor verdient de veteraan respect. Als de beslissing tot inzet achteraf anders wordt gekwalificeerd dan kun je en mag je dat militairen niet aanrekenen. Het waren tenslotte ooit politiek en maatschappij die hun inzet verlangden. In IndiŽ evenzeer als in Libanon, Cambodja of BosniŽ. Om aan de verschillende belangen van veteranen zo goed mogelijk tegemoet te komen moet er sprake zijn van een samenhangend veteranenbeleid. Mede daarom is in mei het Veteranen instituut geopend. Dit instituut staat voor een goed toegankelijke en kwalitatief hoogstaande zorg- en dienstverlening en voor een brede maatschappelijke erkenning voor de inzet van Šlle Nederlandse veteranen. Daarnaast is het uitdrukkelijk ook een plaats waar veteranen, elkaar kunnen ontmoeten. Als zodanig vervult het ook een belangrijke sociale functie. Vandaar dat Defensie de oprichting van het Veteraneninstituut van harte heeft ondersteund. Dames en Heren, Deze plek, waar zoveel geschiedenis samenkomt, maakt een onwisbare indruk, op u, op mij, op ons allemaal. Dat u vandaag op 7 september, met zo velen hier in Roermond aanwezig bent, is indrukwekkend en hartverwarmend. Wij staan hier allemaal met onze eigen gedachten, met onze eigen herinneringen.

 

Ik hoop dat onze aanwezigheid en verbondenheid, u, nabestaanden en kameraden van de gesneuvelden en vermisten, kracht geeft. Vast staat dat door onze aanwezigheid en verbondenheid, zij, die het hoogste offer brachten, niet vergeten zijn en niet vergeten worden. Dank u.

 

   

Volg ons

Stichting Nationaal IndiŽ-monument 1945-1962

Postbus 1302

6040 KH  ROERMOND

Mobiel: 06 55 32 83 06

e-mail: secretariaat

Bezoekadres:

Maastrichterweg 19

6041 NZ  ROERMOND

GPS: N 51.10.979 E 5.59.314

 

© NIM