Foto:  
     
  Menu  
 

Toespraak van Brigadegeneraal Paul Hoefsloot, voorzitter Nederlands Veteraneninstituut ter gelegenheid van de 35e Herdenking op 3 september 2022

Veteranen, excellenties, geachte aanwezigen,
Geschiedenis is een discussie zonder eind. De feiten liggen vast, maar de interpretatie van de feiten kan veranderen. Soms ook, komen de feiten pas jaren later naar boven. Elke generatie kijkt met eigen ogen naar het verleden en geeft een eigen waardering aan dat verleden. Dit geldt ook voor hoe we naar missies en haar militairen of veteranen kijken. De wijze waarop we nu kijken naar de verrichtingen van onze militairen in de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog, is daar een sprekend voorbeeld van.

De inzet van duizenden KNIL-militairen, oorlogsvrijwilligers en dienstplichtigen, werd in Nederland toentertijd ondersteund met het argument dat we de bevolking van het voormalig Nederlands-Indië gingen helpen. Nederland was ervan overtuigd dat het overgrote deel van die bevolking pro-Nederlands was en daar uit angst voor de ‘extremisten’ niet voor uit durfden te komen. Vanuit Nederland vertrokken deze Oorlogsvrijwilligers en dienstplichtigen met het idee dat ze met open armen zouden worden ontvangen. Het door de bevolking breed gedragen streven naar onafhankelijkheid werd in Nederland echter sterk onderschat. Daarnaast veranderde geopolitiek gezien de steun voor het Nederlandse koloniale belang gedurende de strijd. Onze militairen werden zo ongewild een guerrilla oorlog ingezogen waarin alle strijdende partijen zich in meer of mindere mate schuldig maakten aan extreem geweld.

Door de bril van de huidige tijd, waarin het hebben van overzeese kolonies en de uitbuiting van die bevolking voor eigen gewin sterk wordt bekritiseerd, wordt deze oorlog door een groeiend aantal mensen niet begrepen en veroordeeld. Echter, dat is wat anders dan het veroordelen van de groep toen ingezette militairen. Deze veteranen hebben zich ingezet in een oorlog die toen paste binnen het beleid van de Nederlandse regering. Velen hebben de rest van hun leven geleden onder hun oorlogservaringen. Daarnaast brachten 4751 militairen in Nederlands-Indië het hoogste offer.

Een ander voorbeeld is de missie van Dutchbat in het voormalig Joegoslavië in de jaren ’90 van de vorige eeuw. Ten tijde van de oorlog in Voormalig Joegoslavië juichte de Nederlandse maatschappij ingrijpen door de Verenigde Naties toe. Vol goede moed en zin om van betekenis te kunnen zijn, vertrok Dutchbat onder de vlag van die Verenigde Naties naar Bosnië. Helaas ook met een onduidelijk mandaat en te weinig middelen. Al direct vanaf het begin van de missie werd duidelijk dat de instelling van de safe areas en de mogelijke verdediging daarvan door Dutchbat, gebaseerd was op een wensbeeld van de Verenigde Naties en de Nederlandse regering. De basisgedachte was: afschrikking door minimale aanwezigheid. De troepen van de Verenigde Naties hadden volgens resolutie 836 het recht om een aanval op de safe areas met geweld af te slaan. In de praktijk betekende dit vooral dreigen met de inzet van het luchtwapen. Op de grond hadden de lichtbewapende troepen onvoldoende slagkracht, ten opzichte van een numeriek veel sterker Bosnisch-Servisch leger.

Lange tijd heeft onterecht het beeld bestaan dat Dutchbat-III achteloos stond toe te kijken hoe Bosnisch-Servische troepen de enclave Srebrenica binnentrokken. Met de weinig tot hun beschikbaar staande middelen hebben Dutchbat’ers wel degelijk de oprukkende Bosnische-Serviërs met blocking-positions proberen tegen te houden en gericht vuur op hen uitgebracht. Nederlandse F16-vliegers voerden op aanwijzing van forward air controllers in het veld een luchtaanval uit op Servische tanks. Ook hier constateren we dat gedurende de strijd de internationale steun veranderde met het sluiten van het luchtruim. De Dutchbat’ers wachtten tevergeefs op de hard benodigde en toegezegde luchtsteun. “Het kantelpunt in de missie”, volgens Luitenant-generaal Kees Matthijssen vanochtend tijdens zijn themalezing. Dat Bosnisch-Servische troepen vervolgens duizenden mannelijke Bosniakken buiten het zicht van de Nederlandse troepen zouden ombrengen, had niemand in die tijd durven voorspellen. Dat er überhaupt na de Tweede Wereldoorlog een genocide van deze omvang op Europees grondgebied zou plaatsvinden ging ieders voorstellingsvermogen te boven.

Sinds de val van de safe area Srebrenica hebben Dutchbat-veteranen zich onbegrepen en zelfs veroordeeld gevoeld door de samenleving die hen zag als onverantwoordelijk en laf. Pas de laatste jaren is dit beeld van de Dutchbat’ers aan het kantelen, doordat er meer van de feitelijke omstandigheden helder wordt. De erkenning van de regering, documentaires zoals “De machteloze missie van Dutchbat” en niet in de laatste plaats door Dutchbat-veteranen zelf, zorgen voor deze kanteling. Het toont aan dat de wijze waarop wij als maatschappij tegen een missie en haar militairen aankijken, door de tijd heen verandert en blijft veranderen: dat proces is nooit ten einde.

Hoe we tegen het verleden en iedereen die daar een rol in speelde aankijken, is aan voortdurende verandering onderhevig. In een aantal gevallen kantelt het beeld van het verleden in gunstige zin, zoals in het geval van Dutchbat-III. In andere gevallen is de maatschappij meer kritisch terug gaan kijken op missies, zoals op de dekolonisatieoorlog in het voormalig Nederlands-Indië. En ook veteranen zelf kunnen hun missie anders gaan beoordelen naarmate de tijd vordert.


Het blijft echter belangrijk dat we ons blijven realiseren dat de regering militairen uitzendt op missies om de belangen van de Nederlandse samenleving te dienen. Het is de verantwoordelijkheid van die regering en samenleving om militairen goed voorbereid weg te sturen, met realistische verwachtingen, met uitvoerbare mandaten én middelen die hen in staat stellen hun werk te kunnen doen.
En het is de plicht van diezelfde regering en de samenleving om de militairen na terugkomst de erkenning, waardering en zorg te geven die ze verdienen, zoals (inmiddels) verwoord in de Veteranenwet. Om hen bij terugkomst te steunen en te zorgen dat hun verhaal wordt gehoord. Ook, of misschien wel juist, als de missie waarop wij ze stuurden minder succesvol verliep of achteraf niet voldeed aan de verwachting waarmee we ze wegstuurden.
Als samenleving rekenden wij op onze militairen. Zij maakten voor ons het verschil, toen wij daarom vroegen. Bij terugkomst van een missie of een oorlog moeten deze veteranen op ons kunnen rekenen. Laten we daarom leren van het verleden. Het is en blijft onze plicht om hen het gevoel te geven dat zij thuis weer welkom zijn en dat zij gezien en begrepen worden.

Dank u voor uw aandacht!

 
  copyright